Samenvatting: |
Dit thema valt onder de arrangeerbare leerlijn van de Stercollecties voor biologie voor vmbo-b34. Dit thema heet groene vingers en bevat 7 onderwerpen. Het eerste onderwerp gaat over de bouw van zaadplanten, hierbij leer je de organen van een zaadplant (bloem, blad, zaden, vruchten, stengel en wortel) te benoemen en weet je per orgaan wat de functies van dat orgaan is. Het tweede onderwerp gaat over determineren, hierbij kan je het begrip determineren omschrijven (het bepalen van een soortnaam) en met behulp van een determineersleutel de naam van een plant of dier opzoeken. Het derde onderwerp gaat over fotosynthese, hierbij kan je omschrijven hoe fotosynthese werkt (planten maken met behulp van bladgroen glucose met behulp van zonlicht) en weet je welke stoffen er nodig zijn (koolstofdioxide, water en mineralen) voor fotosynthese en welke stoffen worden gevormd (zuurstof en glucose). Het vierde onderwerp gaat over plantenweefsel, hierbij kan je de verschillende type weefsels bij planten benoemen (groeiweefsel, transportweefsel, vulweefsel en opperhuid), het verschil tussen houtvaten en bastvaten benoemen en omschrijven wat huidmondjes zijn en wat hun functie is. Het vijfde onderwerp gaat over geslachtelijke voortplanting bij planten, hierbij leer je wat bestuiving is (stuifmeelkorrel komt bij een stamper)en kan je een manier van bestuiving beschrijven (insectenbestuiving en windbestuiving), ook kan je uitleggen wat bevruchting is (dit vindt plaats wanneer de bestuiving is gelukt). Het zesde onderwerp gaat over ongeslachtelijke voortplanting bij planten, hierbij kan je het verschil tussen geslachtelijke (met geslachtscellen) en ongeslachtelijke voortplanting beschrijven. Ook kan je een voorbeeld noemen van ongeslachtelijke voortplanting (via stengels, wortels, stengellopers of bollen) en kunstmatige ongeslachtelijke voortplanting (stekken of klonen). Het laatste onderwerp gaat over verbranding/dissimilatie, hierbij kan je omschrijven hoe verbranding plaatsvindt (dissimilatie (het omzetten van grote stoffen in kleinere stoffen) met zuurstof), kan je aangeven welke stoffen er nodig zijn voor verbranding (glucose en zuurstof) en welke stoffen er worden gevormd (koolstofdioxide en energie). Ook kan je de relatie aangeven tussen fotosynthese en verbranding. |