Samenvatting: |
Dit thema valt onder de arrangeerbare leerlijn van de Stercollecties voor biologie voor vmbo-b34. Dit thema gaat over vogels en bevat 7 onderwerpen. Het eerste onderwerp is verschillende eters, hierbij kan je voorbeelden noemen van herbivoren (planteneters), carnivoren (vleeseters) en omnivoren (alleseters) en kan je de verschillen tussen het gebit van herbivoren (snijtanden, maalkiezen en plooikiezen), carnivoren (snijtanden, hoektanden en kniptanden) en omnivoren ((knobbel)kiezen, hoektanden en snijtanden) benoemen . Je kan de verschillen in de lengte van hun spijsverteringskanaal benoemen (van de herbivoren is dit heel lang). Ook kan je uitleggen aan de hand van een snavel van een vogel wat voor soort voedsel ze eten (pincetsnavel bij insecteneters, kegelsnavel bij zaadeters, zeefsnavel bij planktoneters, scheur- of haaksnavel bij vleeseters en priemsnavel bij vogels die hun eten uit de bodem/modder halen). Het tweede onderwerp gaat over overlevingsstrategieën, hierbij kan je aangeven hoe dieren zich kunnen beschermen tegen vijanden (snelheid, gif, schutkleur of camouflage en mimicry) en kunnen overleven in ongunstige omstandigheden (winterslaap, winterrust, wintervacht) . Ook kan je omschrijven hoe camouflage werkt en wat mimicry is. Je weet wat het verschil is tussen een winterslaap en een winterrust en weet wat een wintervacht is. Ook kan je een voorbeeld geven van een dier wat in de winter naar het zuiden trekt (trekvogel). Het derde onderwerp is biotische en abiotische factoren, hierbij weet je wat er word bedoeld met milieu (leefomgeving) en kan je de begrippen levensgemeenschap (biotische factoren in een ecosysteem), populatie (en ecosysteem omschrijven. Ook kan je met een voorbeeld duidelijk maken wat biotische (levende, zoals; planten, dieren, schimmels en bacteriën) en abiotische (niet levend, zoals; temperatuur, hoeveelheid licht, aanwezigheid van water en de samenstelling van de bodem) factoren in een ecosysteem zijn. Het vierde onderwerp is aanpassing aan de omgeving, hierbij leer je hoe planten zich kunnen beschermen tegen factoren in hun omgeving, zoals een droge (minder en kleinere huidmondjes, water opslaan in de stengel en grote wortels), natte (luchtkanalen) en donkere omgeving (klimplanten met hechtwortels). Het vijfde onderwerp is de relatie tussen organismen, hierbij kan je drie symbiose relaties beschrijven tussen organismen (parasieten, commensalisme en mutualisme) en kan je uitleggen wat een prooi-predator relatie is. Het zesde onderwerp is voedselweb en voedselketen, hierbij kan je uitleggen wat producenten (, consumenten en reducenten zijn en het begrip voedselweb (hierin kan je zien welke organismen een voedselrelatie met elkaar hebben, bestaat uit meerdere voedselketen) en voedselketen (een keten van een plant, een planteneter en een vleeseter) omschrijven. Ook kan je de producenten (zijn planten, maken hun eigen voedingsstoffen), consumenten (bestaat uit dieren, eten planten en andere dieren) en reducenten (leven van dode planten of dieren zoals schimmels en bacteriën) aanwijzen in een voedselweb en zelf een voedselketen maken met producenten en consumenten. Het laatste onderwerp is duurzaamheid, hierbij kan je duidelijk maken wat er word bedoeld met duurzaamheid, weet je wanneer er sprake is van duurzame landbouw en kan je bio-industrie omschrijven. Je kan ook voorbeelden van duurzame energiebronnen (energie uit waterkracht, zonne-energie, windenergie, energie uit biomassa en energie uit de bodem) opnoemen en je kan recycling omschrijven. |